Petrus Martinus van Riel (1878 - 1957)
(Alblasserdam 23 okt. 1878 - Zeist 11 jan. 1957; gecremeerd te Westerveld), marine-officier, meteoroloog. Was na zijn opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine vanaf 1899 in dienst van de Koninklijke Marine, tot 1914 bij de Hydrografische Dienst en daarna tot 1920 werkzaam als zeeofficier-instructeur bij het Koninklijk Instituut voor de Marine. Was van 1920 tot 1946 in dienst van het KNMI als adjunct-directeur, sinds 1923 als directeur van de afdeling Oceanografie en Maritieme Meteorologie, van 1929 tot 1931 als leider van de Snellius-expeditie en sinds 1934 als directeur van de Filiaalinrichting van het KNMI te Amsterdam. Schreef diverse publicaties op nautisch, oceanografisch en maritiem-meteorologisch gebied. Daarnaast o.m. 'De vloedgolf van 26 april 1924' (1924), over een merkwaardige hoge golf langs de Nederlandse kust, en 'Is de heerschende windrichting te Amsterdam sedert 1700 gekrompen?' (1941).
(Amsterdam ged. 23 mrt. 1589 - ?), predikant, dichter. Studeerde theologie in Leiden, was predikant in Kralingen en van 1617-1620 predikant en conrector van de Latijnse School in Haarlem. Van hem is onder meer bekend: Lantwinninghe ofte Loff van de Beemster (1621)
Kornelis van Rijn (1830 - 1906)
(Uithoorn 26 sep. 1830 - Utrecht 10 nov. 1906), ingenieur. Hij studeerde aan de Koninklije Akademie te Delft en begon in 1850 te Ilpendam als opzichter bij de waterstaat van Noord-Holland. Hij werkte als ingenieur onder J.Dirks aan het Noordzeekanaal en schreef daarover o.m. Het verbindingskanaal tusschen de Voor-Zaan en het Noordzeekanaal (1873). Hij was daarna hoofdingenieur van de waterstaat in de provincie Groningen en van 1882 tot 1904 van de PWS in Utrecht. Schreef voorts: Nota betreffende de ontwerpen tot verbetering van de afwatering der Geldersche Vallei (met M.A.van Idsinga; 1887).
Sytse Hyltje Ringma (1876 - 1939)
(Amsterdam, 10 juli 1915, Amsterdam,2001) Ir. Ringma is na zijn MTS opleiding bij Rijkswaterstaat gaan werken bij de Studiedienst Benedenrivieren. Tijdens zijn werk voor de Studiedienst heeft hij in 1948 het ingenieursdiploma gehaald.Vervolgens ging hij naar het arrondissement Vlissingen en daarna Hoorn (1950). Hierna werd hij geplaatst bij de Studiedienst Bovenrivieren. In december 1951 werd hij door RWS uitgeleend aan het Brokopondo plan in Suriname. Hij schreef hier zijn Hydrologische Nota's 1 t/m 5 (1952-1953), Na zijn terugkeer op 28 februari 1953 schreef hij in Nederland zijn Nota No. 6 (1953) waarin hij tot de conclusie kwam dat de regenval ter plaatse van de damlocatie geen bezwaar behoefde te vormen voor de bouw van een aarden dam. In 1954 is hij in Suriname voor metingen, wat resulteerde in een meetverslag. Rond 1956 werd hij benoemd tot hoofd van het arrondissement Noordzeekanaal en daar tevens verantwoordelijk voor de voorbereiding van de bouw van de nieuwe havenmond van IJmuiden. In november 1959 is hij voor twee weken uitgezonden naar Suriname door RWS voor onderzoek naar de beschikbaarheid van irrigatiewater t.b.v. het Surinaamse bureau Landelijke opbouw (De irrigatiecapaciteit van de Surinaamse rivieren (1960)). In 1960 is hij opgevolgd door ir. Lievense, omdat hij zelf voor de papierfabriek Van Gelder naar Suriname is gegaan om daar een proef uit te voeren met het kweken van Pinus voor de celluloseproductie. Deze proef is in 1962 beëindigd omdat de kosten te hoog bleken. Hij bleef daarna bij Van Gelder, waar hij o.a. schreef Cellulose project "Sabana cell" (1965). De Surinaamse rapporten zijn beschiikbaar bij http://www.nationallibrary.sr/. In 1985 had hij zich als zelfstandig raadgevend ingenieur in Haarlem gevestigd.
Cornelis Wilhelmus Ritter (1876 - 1939)
(broer van P.H. Ritter jr.; Utrecht 6 mrt. 1885 - Rheden 16 mrt. 1972), jurist, econoom. Studeerde rechten en promoveerde in 1913 te Utrecht. Werkte in diverse functies bij de overheid en was van 1923 tot 1950 in dienst van de Nederlandse Bank, laatstelijk als kassier-generaal. Was van 1929 tot 1932 secretaris van de Zuiderzeevereniging. Schreef o.m. De economische beteekenis van de Zuiderzee (1932).
Johannes Gerrit de Roever (1913 - 1983)
(roepnaam: Jan; Amsterdam 8 mrt. 1913 - Utrecht 9 nov. 1983), waterbouwkundige. Werkte enige jaren in overheidsdienst op Curaçao, daarna bij de PWS van Noord-Holland, van Drenthe, als directeur GW te Gorinchem en had tenslotte een ingenieursbureau in Den Bosch. Schreef o.m. Geschiedenis van de Westfriese Omringdijk (1943) en de biografie Jan AdriaanszoonLeeghwater; het leven en werk van een zeventiende-eeuws waterbouwkundige (1944), waarin hij de soms overdreven verering van Leeghwater tot werkelijke proporties terugbrengt. Publiceerde daarnaast ook over zijn liefhebberij, de bijenteelt.
In OTAR publliceerde hij Bredere wegen voor ons vak
Jan van Rooijen (1923 - 1993)
(Burghsluis 13 juni 1923 - Middelburg 4 mei 1993), waterbouwkundige. Werkte, na zijn opleiding aan de HTS in Vlissingen (1947), enige jaren bij de Dienst Droogmaking Walcheren. Was van 1947 tot 1986 werkzaam bij verschillende diensten van RWS, onder meer in Den Haag, Veere, Vlissingen, Middelburg en Almelo. Had een belangrijke taak bij het Bouwbureau Schelde-Rijnverbinding in Bergen op Zoom en schreef daarover in het tijdschrift OTAR: De Schelde-Rijnverbinding (div. afl., 1969-1975) en De ontwikkeling van de scheepvaart en handel toegespitst op het Schelde-bekken (2 afl., 1990).
Arie Roos (1926 - 2005)
(Terschelling 26 okt. 1926 - Alkmaar 21 apr. 2005), waterbouwkundige. Werkte bij verschillende diensten van RWS, in de jaren zestig bij het Bouwbureau Havenmond IJmuiden. Schreef o.m. De bouw van de havendammen in IJmuiden (1969) en Geschiedenis van de Scheveningse haven (1970).
Hij schreef ook:
Vult u onderstaande gegevens in om u in te schrijven voor onze nieuwsbrief.
Secretariaat
Stichting Blauwe Lijn
p.a. Nieuweweg 1
3251 AS Stellendam
info@stichtingblauwelijn.nl
www.stichtingblauwelijn.nl
© POWERED BY STUDIO SANDRA VOS